Werkwijze

Als je beelden van Dick Aerts bekijkt dan kun je niet zeggen dat ze zo precies zijn uitgewerkt. De beeldhouwer permitteert zich vrijheden en slordigheden die aantonen dat hij vooral gericht is op een logisch, acceptabel geheel. Hij wil vooral dat zijn objecten als houding, gebaar, vorm en beweging bekeken worden. Hierbij is  de figuratie alleen bedoeld om een verhaal te vertellen dat over mensen, dieren en het leven gaat, zoals we dat met z’n allen kunnen beschouwen en voelen.

De huid van beelden van Dick Aerts verraden dat hij snelle keuzes maakt en toevalligheden accepteert als ze er toe doen en een bijdrage leveren aan het geheel. Zoals vlammen likken aan blokken hout of de branding aan het strand, zo blijft de boetseerwas achter op het beeld, omdat Dick vermoedt dat zijn beelden zo moeten zijn.

De liefde voor de plastiek van oude culturen en Romaanse en Gotische Kerken heeft de beeldhouwer al jaren in zijn ban en hij volgt slechts zolang het kan het eindeloze pad waar anderen ook een tijdje op hebben mogen lopen.

Aerts boetseert of construeert een vorm, maakt vervolgens een rubbervorm, een gegoten wasmodel en voorziet dit wasmodel van een vuurvaste kern en mantel. De bronsgieter stookt het wasmodel uit de mantel en giet de vuurvaste vorm vol met brons. Als de vorm is afgekoeld, wordt het vuurvaste materiaal weggehakt en blijft het in brons gegoten beeld over. Na lassen, slijpen, frezen en polijsten wordt het brons gepatineerd en nagelopen. Als er geen gekke dingen gebeuren dan kan het beeld gedurende een paar eeuwen het verhaal vertellen van de beeldhouwer.